RRRauw!

Je bent thuis. Ik heb jouw as naar Rumoro, het familiehuis in Asturias, gereden. Het is de plek waar we gelukkig zijn, ieder in een andere levensfase. Jij als peuter, kleuter en puber. Ik als bijna-vijftiger. Voor vertrek geeft de eigenaar van Bomboca in Arnhem nog twee heerlijke pasteis de nata mee. Ik rijd eerst naar Herk-de-Stad (wat ambitieus klinkt voor een dorp) om Matthijs, Gerlinde en hun mini, Isaac, te zien. We zitten in San Pedro, Guatemala, samen in de schoolbanken om Spaans te leren, dansen Salsa in San Gil, Colombia en vieren in Chili Matthijs’ dertigste verjaardag. D was er voor mij ergens ook echt bij, appt Gerlinde en stuurt haar filmpjes van het dansfestijn waarop jij heel even vrolijk doorheen schuifelt. Zoveel goede herinneringen. Het is bijzonder om na vier jaar het gevoel te hebben dat we elkaar vorige week nog uitzwaaiden. Ik ben trouw. Als iemand eenmaal tot mijn pack hoort, blijft dat alhoewel ik sinds jouw dood steeds vaker afscheid neem. Rouw zet alle relaties op zijn kop. Niet in de laatste plaats die met jezelf.

Ik vlieg oudjaarsdag naar Stockholm om met Minna op 2020 te proosten en pak een dag later de nachttrein naar Abisko, Zweeds Lapland. Onderweg, alleen, benauwt het gemis alsof de herinnering aan vijftien jaar samen tot een ijsbal wordt geperst die mij vol op de rug tussen de schouderbladen raakt. Tijd is fysiek, verbonden met de aarde. Enkel het oneindige, tijdloze, bevrijdt in het nu van toekomst en verleden. Hoe je opeens bent verdwenen, begrijp ik soms niet. Ik mis je verschrikkelijker omdat jouw doodsmars oprukt en 2019 tussen ons in staat. Ik zit nog altijd op de weduweplek, linksvoor bij jouw kist en fluister onhoorbaar tegen iedereen in de zaal, D, Ik ben hier alleen voor jou. Want tussen al dat ego-gekibbel, die dwarsliggerij en gewone ruzietjes door was het altijd jij en ik. C&D. Samen lachen, spelen en wonen in het diepstliggende geluk. Ik herinner jouw tevreden lach in de Chinese sleeper van Kashgar naar Urumqi waar op tafel naast de thermoskan een vaas met roosjes staat en je heet water kunt tappen voor thee, koffie en noedelsoep. Als de nachttrein uit Stockholm wegrijdt, gluur ik naar jou. Lig je lekker, Switi? En ik giechel omdat jij zelf zo demonstratief donzig onder je voetbalveld fleecedeken kruipt.

In Zweeds Lapland ben ik 2700 kilometer van huis. Ik weet niet hoe ver noordwaarts ik moet reizen om jouw dood te boven te komen. Opeens doet alles pijn. Ik weet niet waar ik ‘het’ moet zoeken en voel me nergens op mijn plek. Onderweg ben ik misschien wel op mijn best, berust ik. Waar ook ter wereld. Als ik aankom, wacht de teleurstelling dat jij er niet bent. Zo ook in Abisko op het station. ‘s Ochtends banjer ik door de sneeuw naar het meer waar ik de natuur beter hoor. Buiten is het min twaalf. De lucht schemert in marshmellow roze en verlegen helblauw. Ik pak mijn telefoon, open in iTunes Anouk en zing met keelkracht ‘Jij’ uit over dat grote water waar iedere sneeuwvlok geluid en stilte versterkt. Alleen in de natuur hervind ik mijn zelf. Daar voel ik je weer. En het is alsof jouw liefde als een crack in het ijs versplintert in duizenden scheurtjes en de kou rond mijn hart verbreekt.

Ik reis via Kiruna naar Luleå waar de korte dagen trakteren op een aetherisch blauw, rose en oranje hemelconcert dat de ogen bestrijkt als een violiste. In de schemering voel ik me zoekend alsof ik nachtblind ben en iets wegleg wat ik in het donker op de tast niet zomaar terugvind. Nee, het is eerder alsof ik de deur uitloop met dat ik-vergeet-iets-gevoel. Precies zo doet de schemering zich voor. Ik heb het sinds jouw dood iedere keer als ik over de drempel stap. Vanwege mijn rouwdementie ben ik bang dat ik iets belangrijks vergeet zodra ik een paar passen van huis ben. Het gas uitdraaien, een pan van het vuur halen of de achterdeur op slot doen. Maar niets is groter dan jouw leven achter me te laten, onze belevenissen en dat is precies dat ik-vergeet-wat-gevoel, die alarmbel en schrik die sinds veertien maanden doorklinkt. Het is de paniek dat ik jou per ongeluk vergeet, achterlaat of over het hoofd zie. Jij bent er niet meer. Ik vraag me af of het ooit went op bestemming zonder dat ik je een zoen geef als ik aankom of wegga. Ik voel me bevoorrecht dat ik kan reizen en tegelijk schuurt mijn hart zout omdat jij niet naast me ligt in de nachttrein of bij het ontbijt een café d’amour maakt om erna buiten in de tuin te werken.

In het vliegtuig naar Amsterdam zit ik naast een mollig opa-en-oma-stel. De man puzzelt (vast een kruiswoord, cryptogram of doorloper) en draagt voor op de neus een typische opabril. Ik voel me zo emotioneel en moe dat ik niets liever wil dan mijn buuropa in de armen vliegen. Want tijdens de vlucht lijkt het me de enige plek waar ik zou kunnen ontspannen in dat zware gemis. Thuis heb ik haast om te vertrekken. Sinds jouw eerste sterfjaardag gooit de auto de kont in de garage. De koppeling ligt als eerste dwars, gevolgd door wat kleinere kwalen. Ik pak stug door. Een Rumoroset, de kampeeruitrusting en mijn carry on backpack voor in het vliegtuig. Het verbaast me dat jij alles bewaart. Ik vind zakjes, tasjes en hoesjes vol haakjes, rubbertjes en handigheidjes. Ik wist niet dat jij zoveel bewaarde. Je bent altijd goed bepakt met reissnufjes terwijl ik alles in plastic tasjes prop. Maar nu gebruik ik toch jouw handige packing cubes waar ik zo verbaasd om heb staan lachen. Plotseling sta ik te huilen. Ik vind in het voorste kamertje de hoes waarin jouw rugzak zich verstopt bij het inchecken. Het label van jouw laatste vlucht hangt eraan. Ik sta op Rotterdam airport en app, D, ik heb je wel zien landen hoor 😉 Als je op me af loopt, schrik ik. Je ziet er zo slecht uit.

Honderd kilometer boven Parijs schiet mijn stoel los. Jij nestelt jouw asbeker (die meer weg heeft van een extra large verpakking paneermeel) achter me tussen twee backpacks om zo de stoel vast te klemmen. Ik overnacht vlakbij Parijs, snel de metro in richting de Eiffeltoren en wandel met een crêpe au miel in de hand langs de Seine richting het Louvre. De ochtend erop e-mail ik Cefas die met zijn Wendy een echte Ik Vertrek heeft gedaan naar Saint-Antonin-Noble-Val. Cefas reageert binnen enkele minuten. Als ik aankom, staat de tafel vol heerlijke kazen, stokbrood en champagne rosé. Ik breng als cadeau een ingepakt exemplaar van ons boek mee. Met Cefas beleven we de leukste Lowlands ooit en we reizen enkele weken samen door Indonesië waar we op Sumatra in de jungle van Bukit Lawang urenlang naar de stromende regen staren. In de auto zingt Janet Jackson, Madonna en Duran Duran bekende lyrics uit mijn teens. Pubertijdmuziek blijft dierbaar. Vlak na jouw dood kon ik er niet naar luisteren omdat de jaren tachtig jou nog zo’n lang leven beloofde. Nu maakt het me zo blij en extra onbezorgd (terwijl ik dat als tiener absoluut niet was) omdat ik weet dat jij toen al zo gelukkig was.

Op Control van Janet Jackson denk ik terug aan het jubilieumfeest van Eetwaar. Je bent terug in de pubertijd, zegt Eddie. Het klopt misschien wel. Midlife is losmaken. Niet van familie overtuigingen, de gevestigde orde en thuis; rond de vijftig kijk je terug om achter te laten wat nooit meer zal zijn zodat je (in het begin misschien nog onwennig) hopelijk lichter, vrijer en met meer zelfliefde vooruit kan stappen. Free-hee-ee at last, gil ik opgelucht met Janet mee. Ik ben in de pubertijd en voor het eerst weer op een feestje om te vieren dat het restaurant van mijn broer en schoonstezus negen jaar bestaat. Ik ben hier met jou voor het laatst in 2016. De jaren erna zijn we op reis en vorig jaar was jij net dood. In de eerste vijf minuten wil ik al weglopen. Ik lijk te krimpen terwijl mijn verdriet groeit in de ruimte waar ik zo onhandig alleen sta op het moment dat de gasten binnenlopen. Als Dancing Queen van Abba klinkt en wij verder rijden op route 66, pak ik bijna mijn jas om weg te sneaken. Ik adem in, neem een glas bubbels en kom in gesprek. Daarna gaat het vanzelf. Ik kan het nog. Onder de mensen zijn, ontspannen en gezellig kletsen. En het werkt. Door verhalen te delen en te vertellen over jou, blijf ik overeind. 

Ik rijd van San Sebastián naar Llanes. Barna appt het meesterlijke idee om mijn moodfood honger te stillen bij de MacD in Santander. Rond Rumoro is in de wijde omtrek geen burgerkoning te vinden. De laatste honderd kilometer zing ik met volle buik mee op Eros Ramazzotti’s CD In Ogni Senso waarop ik een beetje Italiaans heb geleerd om te kunnen schrijven met die jongen op wie ik direct een crush heb nadat hij me op Piazza Navona vaarwel zoent. Ik gil het samen met Eros uit, Così tu vivi dentro me – zo leef jij in mij voort – struikel over the top en begin te huilen. Even voorbij San Vincente de la Barquera zie ik de Picos voor het eerst met een beetje sneeuw. Mijn peugeot rijdt uit zichzelf wat harder terwijl de tranen blijven komen. Ik huil door bij aankomst terwijl ik Ducche vasthoud omdat Laika weg is. Als ik aan tafel zit te schrijven, kijk ik uit het raam over het veld waar enkele maanden geleden de koeien graasden. De meiden staan op stal, de geiten zijn beneden en het veld is omgeploegd. Ik zie Ducche zitten midden op dat veld. Hij staart naar zee met zijn snuit een beetje omhoog. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden en realiseer dat Ducche zijn maatje misschien wel net zo mist als ik jou.

Deze RRRauw! is mijn cadeau aan jullie. Vandaag vier ik mijn tweede verjaardag zonder jou. Ik heb taartjes gekocht, slingers opgehangen en loop met een Hawaii  krans rond in huis. Jij bestelt cappucino con nata voor mij bij La Revuelta in Llanes waarna ik los ga op de pattisserie bij La Vega. Als ik een volle hap van die dikke slagroom naar binnen lepel, denk ik aan mijn tweeënveertigste verjaardag. We komen uit de nachttrein van Kochi naar Chennai waar we aan het zwembad van een sjiek hotel wachten op de nachtvlucht naar Bangkok. Jij trakteert op een heerlijk ontbijt, de kapper en een afternoon cocktail. Vanwege rellen in Bangkok vliegen we direct door naar Koh Phangan. Op de luchthaven van Chennai koop jij een fles champagne die twee vluchten, een ellenlange busrit en drie uur op de boot meedeint. Op de laatste drempel voor onze bamboehut spat na vierentwintig uur schudden, wiegen en hobbelen, de fles bubbels uiteen in mijn backpack. Ik hef zo het glas en ben dankbaar voor jullie lieve berichten, appjes en e-mails. De spam girls van hotmail worden wat explicieter in hun junk berichten. Ze willen discreet daten, naaktfoto’s sturen en hun goede voornemen is mij in 2020 eindelijk te ontmoeten. Ik zie het allemaal wel, blijf onderweg en proost op het grote avontuur door de menselijke ervaring.

R O U W  voelt als onrust. Misschien ben ik te ongeduldig voor het verdriet, gemis en die stekende pijn in mijn keel. Ik schreeuw over de bergen, kom terug bij mij! Ik ben jarig. Nu moet je thuiskomen. Soms verlies ik het. Dan overweldigt rouw als een gigant en wil ik me enkel nog kleinmaken, oprollen in de warmte van mijn eigen hart en jouw licht als fleecedeken over me heen trekken zodat alles tot eenheid samenkleurt.

RRRauw! vertelt het hilarisch ontroerende jaar van een kleurrijke rouwdouwer die je met de speed of love vanuit de veilige knuffelvortex van haar grot meesleept door een volle bak echte rouw en de liefde die met kwetsbare humor overeind blijft als twee geliefden in drie maanden tijd versneld samen oud worden.

CARINA WIEGMAN (Groningen, 1972) reist, schrijft en geeft taoïstische buikmassage. Ze studeerde levensloop psychologie aan de Open Universiteit. In 2004 loopt ze via een datingsite de liefde van haar leven so far tegen het lijf waarmee ze 15 jaar over de wereld zwerft. RRRauw! is haar debuutroman (november 2019).

Write a Reply or Comment

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.