RRRauw!

24 augustus 2015 | We vieren jouw derde wereldreisverjaardag op Srilanka waar we in Unawatuna iedere avond hand in hand door Vuurvliegjesstraat lopen. Je wordt 47. Ik pak het vragen-aan-mezelf-schrift waarin ik regelmatig een casual gesprek met god voer en noteer de antwoorden die binnenvallen. Wat betekent thuiskomen voor mij? Geen gekke vraag, denk ik. Over drie weken reizen we na meer dan twee jaar backpacken terug naar Nederland. Thuiskomen. Ik gooi de pols los, schrijf wat steekwoorden op – verbinding, bewust aanwezig zijn, voelen en ervaren – en voer het gesprekstempo op totdat de pen gods er met mij vandoor gaat en de antwoorden als sterrenregen uit de lucht vallen. “Maak je los. D zijn tijd is over. Hij is vrij als jij dat bent en zal in wezen ten dienste staan. Liefde stroomt. Uit respect voor elkaar zul je samen zijn. Jij bent vrij te gaan. Verlaat het oude pad. Duik het diepe in.” Ik scribbel driftig verder zonder terug te lezen maar ‘D zijn tijd is over’ hangt een fractie van een seconde schichtig boven mijn hoofd voordat ik het als Jedi master met mijn lichtzwaard wegzwaai om te voorkomen dat de tijding elektrisch ontlaadt en mijn gedachten bezet. D zijn tijd, over? Beam. Wat…? BEAM. Ik klap het schrift dicht, leg het weg en loop samen met jou de deur uit voor een banana pancake. Vier maand na jouw dood herinner ik het voorval. Ik pak de doos met schriftjes en zoek uren naar de tekst. Mijn mond valt open. 24 augustus, je verjaardag. Oh D, roep ik naar de foto waarop jij zo leuk lacht. Tot mijn verbazing lees ik direct onder de datum, voor mijn chit chat met god, de regels van Thich Nhat Hahn. Het zijn de zinnen die ik drie jaar later voor jouw rouwkaart kies.

ik ben Aangekomen, ik ben Thuis
in het Hier, in het Nu
ik ben Sterk, ik ben Vrij
ik kom Thuis bij mijn Ware Zelf

Op Rumoro maak ik in drie etappes een rouwjaar vol. De eerste ronde schrijf ik ons verhaal. In januari keer ik terug. Ik help geiten hoeden en verkoop tijdens de Spaanse lockdown ons huis. Na de overdracht, eind juni, sta ik voor het eerst zonder plan of toekomst in de keuken van Rumoro en staar naar jouw asbeker met een glas cava in de hand.Wanneer je aankomt in het moment voel je beter wat je te doen staat. Ik neem je as mee op een vuelta door Asturias en ben er flink mee in de weer tot de grande finale – jouw wens – je as langs de Ruta del Cares. Wat rest, geef ik terug op een beetje na dat ik bij me houd voor special occasions. Omdat ik je wil voelen op mijn huid schep ik met mijn hand wat as om er mijn armen mee te scrubben. Ik rijd met knijpbillen de bergweg van Posada de Valdeón naar Cain en begin om acht uur te lopen. Eris nog niemand op pad zodat ik zonder urngluurders ons ding kan doen terwijl ik cabaretgrappige liedjes zing à la Hans Teeuwen. Op de muziekale stippellijn gil ik jouw (koos)naam in plaats van die van de cabaretier en daar word ik zo triestvrolijk van dat ik stevig moet doorzingen om een dreinend rouwtantrum te voorkomen. If there’s something strange in your neighborhood, who you gonna call? Domingo! (Ghostbusters). I just call to say Domingo (Stevie Wonder). Deetje, I love you , Deetje I care…You’re my friend (Spice Girls, Mama I love you). D, Disco, Doom, Deetje, Domingo en Dominguin. Ik heb gemerkt dat je naam ook heel leuk doorklinkt in mantra’s. Tijdens het wandelen roep ik extra hard door de kloof dat ik van je houd, héél véél, en dat ik je stom vind omdat je me weer eens alles alleen laat doen. Jij gniffelt.

Ik sta in de woonkamer, moe van de reis en val onmiddellijk op de grond in slaap. Droomslapen is grappig en eigenlijk 2=1 alhoewel je er niet per se dubbelwakker uit ontwaakt. Ik gaap, kijk rond en besef tot mijn schrik dat ik de inrichting niet herken. De woonkamer staat vol slappe meubelstukken en langs de wand in de achterkamer stapelen kleurloze verfblikken en verhuisdozen zich als metershoge Jengatoren op. ‘Wij’ woont hier niet meer. Ik moet maken dat ik wegkom, denk ik, voordat de nieuwe eigenaar me betrapt (waar is ze eigenlijk?). Het voelt alsof ik erbij ben met verstoppertje spelen terwijl ik het liefst nog wat langer verschuil in de onstilbare liefde van ons leven. Ik ontwaak uit de droom waarin ‘wij’ niet langer huist. Af en toe achtervolgt het verleden als volhardende zombie die je met uitgestrekte armen vastgrijpt en terugtrekt in de angst voor het heden. Ik besef dat ik zelf ooit doodga of raak in de ban van een body bewustzijn dat hyper lijfalert speurt naar de allerkleinste sensaties (pijntje hier, vlekje daar, bultje zus en zo) om jouw sluipmoordenaar, de veroorzaker van mijn chronische verdrietsaandoening, te betrappen. Die trekkende scheut bij mijn hart, de knikkerzak aan bobbeltjes onder mijn oksels (de lymfen kunnen de afvoer van al die emoties nauwelijks aan) en dat pijnplekje op de rug. Het is toch niks ernstig, Ceetje? vraag  jij al bij een schaafwond. Nee, D, natuurlijk niet! Nou, mooi wel.

In Potes kampeer ik voor het eerst alleen. De tent staat binnen een kwartier, zonder ruzie. Ikgeniet op mijn Lowlands popcryptokleedje met een benjamin cava rosado terwijl ik door het Flow vakantieboek 2018 blader dat als ongelezen souvenir uit onze laatste vakantie komt. Dat trotste gevoel (kijk eens, ik kampeer alleen, zwaai rotsharingen met een tenthamer in de grond en doe ook in mijn eentje onze camping walk) slaat binnen twee uur om net als op zoveel andere momenten wanneer ik uit het onveranderbare schiet, in shock bedenk dat je dood bent en zie dat de wereld om me heen wel degelijk verandert. De ochtend erop breek ik de tent op. Ik wil naar Ducche, naar huis. Rumoro verslaat de tijd en (er)kent verleden noch toekomst. Soms ligt de angst om verder te gaan als levensgrote vormpuzzel op de grond. Hoe leef ik het heden zonder jou? Als ik naar ons laatste selfie kijk, lijk je op iemand die ik heb gekend en die onbereikbaar is doordat dood de tijd herkauwt en tijd wat fysiek rest, vermaalt tussen zijn kiezen. Misschien komt het omdat ik je steeds langer loslaat dat je zoveel ruwer, schraler en krachtiger terugveert. Terwijl ik de bezem door het huis haal (Rumoro is een veeghuis) bedenk ik dat de dood zo’n grote gebeurtenis is die nederig maakt omdat je bij de bescheiden dingen die ik doe nooit meer fysiek aanwezig bent. Zelfs niet bij iets simpels als de afwas doen, een lamp verwisselen of bij de aanschaf van een nieuwe tandenborstel. Ik veeg het portiek waar Ducche uitdagend met de poten omhoog ligt en mijn bewegingen volgt in de hoop dat ik hem speels afros. Dat ik nu al verder ben gegaan, zwiep ik rond. Ik ben hard op weg jou tijdens deze levensloop van de baan te vegen.

Er hangt iets in de lucht. Het dreint, zeikt en ik kan er 24/7 mijn draai niet door vinden. Zondagochtend rijd ik bij zonsopkomst naar beneden met jouw as om in Parres rond het familiegraf te strooien. In 2005 sta ik er met jou. We bellen om half elf ’s avonds je moeder omdat we het graf niet kunnen vinden. Ik huil onmiddellijk. Zo mooi ligt het cementerio in Parres. Ik ben geen kerkhofkenner maar als er een booking.com voor je laatste rustplaats bestaat waar nabestaanden in gedenkstilte kunnen zijn en terecht kunnen voor koffie met grafklets dan krijgt deze plek locatiecijfer 10. Ik kijk over de kustlijn uit over zee. In mijn beste Spaans leg ik aan je opa en oma uit wat er is gebeurd, dat je vijftig bent geworden en hebt geleefd met zoveel plezier, geluk en liefde als voor honderd jaren. Ik vertel zelfs hoe jij zo eenvoudig, stoer sterft. Terwijl ik luister naar We all Complete strooi ik jouw as rond het graf en huil helemaal los. Ik vraag je grootouders of ze wat op willen schuiven, of jouw graf hier ook mag zijn. Soms verlang ik naar een rustplek voor mijn verdriet om jou. De zon breekt door, stemt in, en dan valt er toch iets van me af. De dag voor vertrek van Rumoro breng ik het bloemetje dat maanden op tafel in het portiek heeft gebloeid en zing luidkeels ‘Jij’. Ik ga nu, zeg ik tegen je abuelos. Rumoro is verkocht. Ik huil dankbaar voor hun gastvrijheid omdat ik op Rumoro altijd welkom ben geweest zonder dat je voltallige voorouderlijn is komen spoken. Ik loop weg en draai een laatste keer om. Voor het eerst zie ik dat jij uitkijkt op El Torro, de billboard met stier in het zwart langs de weg. In de zomervakantie is hij het teken dat jullie na die lange reis er nu echt bijna zijn.

Het tweede jaar rouw voelt doffer. De glans van alle eerste keren is eraf. Het is alsof iemand met een dunschiller van mijn hart laag voor laag een beker schaafijs maakt. Voor vertrek van Rumoro pak ik de Punto opnieuw in. Ik kom van alles tegen. Het ronde tupperware in neonkleuren dat als vrolijke Baboeshka’s in elkaar past, Darshan wierrook en de parmezaanse kaasrasp. Ik raak geëmotioneerd door spulletjes uit ons huis. Gewone gebruiksvoorwerpen maken me aan het huilen. Ik verlang naar ons huis. Nee, ik verlang naar ons in ons huis en wil met 3000 watt in onze bubbel worden teruggezogen. Mijn maag knijpt met alle sappen het onverteerbare omhoog om er een brok in de keel van te maken. Emoties komen in een wervelende lichtshow voorbij. Van diep onweerzwart tot de felste Fernandes kleuren. Ik ben afwisselend zuur, verdrietig en boos. Gelukkig heeft Spanje mondkapjesplicht zodat ik in Llanes op straat, over de passeo langs zee of gewoon in de supermarkt onverstoorbaar hardop achter mijn mascarilla kan bozen. Het rouwfestijn is compleet wanneer de MacBook Air onverwacht een foto van mijn best furry friend opent. Monty zit achter ons huis te genieten in de ochtendzon. Op zo’n moment krimp ik als Matt Damon in Downsizing. Ik kruip door de lens terug het beeld in dat groot genoeg is voor een wereld aan inimini geluk. Ik kriebel Monty onder zijn kin, maak een café d’amour voor jou en loop via de openslaande deuren de tuin in waar jij de lelie snoeit. Jij sterft iedere dag opnieuw. Het scheurt mijn sternum uiteen.

Ik heb zin in roken nadat ik jaren niet naar een sigaret heb verlangd. De nicotinezucht is na een week nog niet uitgedooft. Soms voelt rouw als ontwenning die permanent in de onderbuik zeurt. Ikkoop een pakje Camel blauw, neem de stiekeme aanschaf mee naar boven en ga ervoor zitten. Ik heb zo’n zin in sigaretten dat ik me verlekkerd voorneem het pakje diezelfde middag nog leeg te roken. Ik steek de sigaret op en paf stevig door. Het staat me, ik kan het nog en het voelt vertrouwd. Halverwege de eerste sigaret zet een misselijkheid in die zeker een dag aanhoudt. Uit voorzorg spoel ik de rest van het pakje nat onder de kraan. Fuma mata, lees ik voordat het de prullenbak ingaat. Roken doodt. Het leven weggooien of op zijn minst de dood uitdagen terwijl jij zo graag wilt blijven, gaat natuurlijk niet. Dat met loslaten de verbinding wankelt en oude programmeringen worden opgeschud, is niet gek. Misschien is rouw hetzelfde als afkicken of op zijn minst zo verslavend als sigaretten, drank, seks, drugs of ander drama. Hoe laat ik rouw ooit los? Woensdagmiddag loop ik bij Laplaza binnen op een ander tijdstip dan normaal. Ik ben uitgekeken op de visboer want die staat tijdens de drukke middagspits met vrouw en oudste zoon achter de kraam. Ik rijd mokkend omhoog en kijk verwijtend naar jou wanneer blijkt dat de mandarijntjes-uit-blik over datum zijn. Ik voel me boos, baldadig en heb daardoor zin in kattenkwaad. Acting out. Ik ontvlam bij de geringste vonk en drink liters kamillethee om het vuur te doven. Op Rumoro sta ik stil en gluur naar de bergen die bij het zakken van de zon taupekleurig blozen. Jij klimt met je vingers over de bergrand, tovert je hoofd tevoorschijn en spreekt me corrigerend toe. Denk om je pitta, Switi. Nu niet meer zo boos.

Op Rumoro wordt elke dag stiller. Het troost omdat rouw snerpend schreeuwt. Ik ben iedere ochtend blij wanneer de dag haar wandeling start en de afstand tot de nacht bekort. Ik zet het raam van mijn slaapkamer open, drink koffie in bed en kijk uit over zee. Roodborstje vliegt naar het keukenraam wanneer ik rammel met de granola. Ik loop naar Ducche die in de stallen wacht op zijn Scooby snack en groet de geitjes. Mijn miracle morning routine. En dan is Sherman er nog, een grote huiskever, die gezellig door het huis scharrelt maar de laatste week wegloopt. En dan kan ik het toch niet hebben dat ik hem, na dagen roepen, op de rug aantref. Dat moet je niet doen Sherman, zeg ik huilend. Misschien sterven ze zo, vallen torren steeds vaker om, de poten eerst nog spartelend omhoog. Wanneer het dan niet meer lukt zelfstandig overeind te krabbelen, is het game over. De natuur is wijs. Ze laat je zelf opstaan totdat je blijvend ligt. Ik loop de laatste week op Rumoro zwaar door het huis. Het zit erop, het moment is daar. Ik zit buiten met jouw voetbal fleecedeken om me heen wanneer een concert aan belletjes nadert. De geiten zijn ontsnapt. Het gerinkel wekt een rouwjaar aan herinneringen. Ik ben terug in de gelukkigste weken bc – before corona – wanneer AnnaMaria en ik door weer en wind de geiten thuis brengen. Ik hak hout, overwinter, schrijf een boek. Ducche, Laika (rip), Roodborstje, Sherman (rip), koeien en hondertwintig geiten. Ik laat nog één keer zien wat ik als geitenmeisje waard ben en breng de cabritas terug naar de stal. Na het middageten neem ik Ducche mee. Ik roep commando’s terwijl Ducche zoekt en ik driftig op rubberlaarzen door bos, veld en over geitenpaadjes banjer. Ik geef me gewonnen net als toen de dood jou als grijpmachine te pakken nam en vooraan in de rij plaatste. Al die herinneringen. Het zit erop net als toen de drie maanden waarin je dood ging erop zaten. Net als toen onze wereldreis voorbij was, ons leven in Arnhem, en nu ook mijn tijd op Rumoro eindigt. En misschien ooit in de toekomst mijn rouw wegtrekt.

Ik speel rouwkwartet. Mag ik uit de serie Afscheid (welke kleur zou Afscheid hebben?) de ‘liefde van mijn leven’? Mag ik ‘best furry friend’? Heb jij dan ook ‘het huis waarin we zo gelukkig waren’? En tot slot ‘rouwgrot Rumoro’? Kwartet! Het voelt alsof iemand met een naald door mijn hersenvliezen prikt en het verleden in heel haar pijnlijk prachtige geluk uiteen spat. Ik wil naar huis, huil ik. Ik wil terug naar jou om je wenkbrauwen te snoeien vanwege die woekerende Jack Nicholson coupe. In de auto wil ik je bellen met een onzin verhaal of om mijn magische dag top drie te delen. Dood onderhandelt niet. Ik ben klaar voor een nieuw avontuur en vind het vreselijk jouw pantoffels weg te gooien. Ze zijn gaar omdat ik er het hele jaar zo geborgen warm op rond heb gesjokt. Ik zit buiten met een café d’amour. Jij verwent me met zo’n stoere zonsopkomst uit zee terwijl ik jouw sloffen dicht tegen me aandruk. Ik schreef dit eerder. Het is niet het weggaan zelf of optrekken, schakelen en onderweg zijn maar aankomen, wetend dat jij fysiek nergens wacht. Eigenlijk is exit Rumoro next level grief game. Het is weggaan en erop vertrouwen dat waar ik ook land, jij al bent. Als rouwnomade blijf ik zwerven tot ik voel dat wat jij in mij raakt de tijd verslaat.

R O U W  voelt ontheemd.

p.s. reis visueel mee op Insta @carinawiegman
p.p.s. op Facebook staat mijn jaar op Rumoro in beeld

RRRauw! vertelt het ontroerende verhaal van een kleurrijke rouwdouwer die je met de speed of love meesleept over de wereld, door een volle bak echte rouw en de liefde die met kwetsbare humor overeind blijft als twee geliefden in drie maanden tijd afscheid nemen.

#rrrauw #rouwraaktiedereen #rouwpouwer #movingforwardwithgrief #rouwnomade

CARINA WIEGMAN (Groningen, 1972) reist, schrijft en masseert buiken. Ze studeerde Levensloop Psychologie aan de OU. In 2018 sterft de liefde van haar leven so far met wie ze 15 jaar over de wereld zwerft. RRRauw! is haar debuut (november 2019). Momenteel schrijft ze haar tweede roman, Marathon (november 2021).

If a marathon is a battle, it’s one you wage against yourself – Haruki Murakami 

Write a Reply or Comment

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.